brein

Er is een reden dat jonge automobilisten een duurdere verzekering moeten afsluiten dan oudere. Jong zijn betekent meer risico’s nemen, niet alleen in het verkeer maar op alle levensgebieden. Oude mensen zijn rustiger en hebben al die thrills niet meer nodig. Dat blijkt niet aan hun respectabele leeftijd te liggen, maar aan de hoeveelheid grijze stof in hun hersenen.

Grijze stof is een onderdeel van het centrale zenuwstelsel. Het bevat de zenuwcellen, de uitlopers daarvan en de axonen die elektrische signalen doorgeven. Het bevindt zich vooral aan de buitenkant van de hersenen en heeft informatieverwerking als functie. Bij jonge mensen is de hoeveelheid grijze stof in de rechter achterste pariëtale schors een voorspeller van de mate waarin zij risico’s willen nemen. De achterste pariëtale schors is als hersengebied betrokken bij het plannen van bewegingen, ruimtelijk redeneren en waar je je aandacht op richt.

Onderzoek met een loterij

De onderzoekers voorspelden op basis van deze informatie dat niet de leeftijd van proefpersonen invloed had op hun neiging naar het nemen van risico’s, maar de hoeveelheid grijze stof in dat hersengebied. Ze lieten proefpersonen van uiteenlopende leeftijden kiezen tussen een geldbedrag van 5 dollar of meespelen met een loterij, waar mogelijk meer geld te verdienen was. Op basis van hun keuze kregen de proefpersonen van de onderzoekers een nummer dat correspondeerde met hun niveau van ‘risico-tolerantie’. De wetenschappers maten van elke proefpersoon ook de hoeveelheid grijze stof, met behulp van een MRI-scanner.

Uit deze tests bleek dat de leeftijd van de proefpersonen geen significant verband opleverde voor het wel of niet nemen van risico’s. De hoeveelheid grijze stof gaf wel een significant verband. En omdat het afnemen van grijze stof een normaal, gezond gevolg is van ouder worden, menen de onderzoekers hiermee ook de ogenschijnlijke relatie tussen leeftijd en risico’s nemen te hebben verklaard.

Tieners nemen minder risico

Wat kunnen we hier nu mee? De wetenschappers schrijven in hun artikel dat adolescenten onder de 18 vaak minder risico’s nemen dan jonge volwassenen. Hierdoor krijgt de grafiek voor het aangaan van risico’s een U-vorm. Ze concluderen dat de hoeveelheid grijze stof mogelijk ook verandert gedurende de kindertijd, wat dus weer invloed zou hebben op de mate van risicovol gedrag bij tieners.

Belangrijke kanttekening is wel dat risico’s nemen in het echter leven niet louter afhangt van de hoeveelheid grijze stof in iemands hersenen. Vele andere factoren spelen mee, zoals je houding tegenover onbekende risico’s of je bereidheid dingen te verliezen. Om de relatie goed te onderzoeken, moet toekomstig onderzoek hier ook aandacht aan besteden.

Grubb et al, 'Neuroanatomy accounts for age-related changes in risk preferences.' Nature Communications (2016)