Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
invullen vragenlijst

Leuk en aardig, zo’n onderzoek naar hoe sociaal vaardig Nederland is, maar hoe meet je zoiets eigenlijk? Een ding is zeker: een proefpersoon die te veel weet over de doelen en werkwijzen van de wetenschappers, kan beïnvloed worden in zijn denken en doen.

Natuurkundigen hebben het maar makkelijk. De wet van de zwaartekracht is overal geldig, dus zij kunnen er zeker van zijn dat wat ze in het lab waarnemen, ook buiten de muren van de universiteit geldt. Een appel valt net zo snel onder toezicht van een natuurkundige als in een verlaten boomgaard.

Gedragswetenschappers observeren geen appels, maar mensen - en die kunnen zich heel wat grilliger gedragen. Bovendien moeten onderzoekers rekening houden met de invloed die ze zelf hebben. De wetenschappers achter het Groot Nationaal onderzoek (GNO) beseffen dat maar al te goed. Bezoekers van de website van het GNO en journalisten stuurden ze allerlei vragen over het hoe en waarom van de test. Lastig, zo vinden Agneta Fischer (UvA) en Joost Broekens (TU Delft).

‘Als je te veel vertelt aan de deelnemers van het onderzoek, dan zegt die enquête die ze invullen niks meer over hun eigenlijke gedrag’, aldus Broekens, die onderzoek doet naar kunstmatige intelligentie.

Warme kleren
‘Stel je voor dat ik wil meten hoe warm mensen zich kleden bij een bepaalde buitentemperatuur. Als ik een proefpersoon dat van tevoren al vertel, dan gaat die diep nadenken over hoe warm hij zich moet kleden. En dan zeggen mijn meetgegevens dus niks meer over hoe warm mensen zich spontaan kleden, maar alleen over hoe warm mensen zich kleden als ze daarop gaan letten.’

Een mens die zich geobserveerd weet door een wetenschapper, kan zich dus heel anders gedragen dan een mens ‘in het wild’. Tot nu bestaat het GNO alleen nog uit schriftelijke vragenlijsten, maar binnenkort zullen de onderzoekers ook experimenten organiseren waarbij ze de proefpersonen op de vingers zullen kijken. Dan is de kans op beïnvloeding nog groter.

De toverkracht van de onderzoeker
Psychiater en psycholoog Martin Orne (1927-2000) was een van de eersten die zich grondig verdiepte in de sociale psychologie van het psychologisch experiment. ‘Een proefpersoon is bereid om een behoorlijke hoeveelheid ongemak, verveling, of pijn te ondergaan als de onderzoeker daarom vraagt’, schreef hij. ‘Bijna elk verzoek dat je je maar kan indenken is gelegitimeerd zodra een gerenommeerde onderzoeker de quasi-toverspreuk “dit is een experiment” uitspreekt.’ Volgens Orne moet de onderzoeker zich dan ook te allen tijde bewust zijn van de invloed die hij, bewust of onbewust, op het handelen van de proefpersoon heeft.

Orne geloofde zelfs dat de resultaten van wellicht het beroemdste psychologische experiment aller tijden - de gehoorzaamheidsexperimenten van Stanley Milgram - zodanig verstoord waren door het onrealistische gedrag van de onderzoeker dat ze ons weinig vertelden over hoe gevoelig mensen voor gezag zijn. In Milgram’s experiment werden proefpersonen gevraagd steeds sterkere elektrische schokken toe te dienen aan een man die een taak uitvoerde. Zelfs als de man (in werkelijkheid een acteur) het begon uit te schreeuwen van de pijn of dood leek neer te vallen, waren de proefpersonen vrijwel allemaal bereid nóg sterkere schokken toe te dienen.

Orne schreef samen met Charles Holland daarover het volgende: ‘De onderzoeker zit er passief bij terwijl het slachtoffer lijdt, en eist dat het experiment doorgang vindt, zelfs als het slachtoffer eist losgemaakt te worden en de gezondheid van het slachtoffer op het spel komt te staan. Dit gedrag van de onderzoeker, dat Milgram verklaart als de eis van een legitieme autoriteit, kan net zo aannemelijk verklaard worden als een belangrijke aanwijzing van wat de echte stand van zaken is - namelijk dat niemand echt wordt pijn gedaan. Sterker nog, als de proefpersoon echt zou geloven dat het experiment een legitiem onderzoek is, dan zou het feit dat hij gevraagd wordt een relatief onbeduidend experiment voort te zetten terwijl iemand een extreem lijden ondergaat impliceren dat dat lijden of gevaar helemaal niet bestaat.’

Gezagsgetrouwheid
Volgens Orne deden de proefpersonen niet wat ze gevraagd was uit gezagsgetrouwheid, maar omdat ze toch niet geloofden dat iemand daadwerkelijk pijnlijke schokken kreeg.

Orne en Holland meenden hun betoog ook te kunnen onderbouwen met bewijs: Holland had Milgram’s onderzoek opnieuw uitgevoerd, en na afloop aan de proefpersonen gevraagd of ze de gebeurtenissen voor echt hadden aangenomen. Slechts een kwart geloofde dat het experiment echt was geweest. Maar het onderzoek is later ook door David Rosenhan opnieuw uitgevoerd – en toen geloofde bijna 70 procent dat het experiment echt was geweest. Niettemin, dat drie op de tien er niet intrapten is toch een behoorlijk aantal.

Wat een proefpersoon echt denkt tijdens een onderzoek, kan dus lastig te voorspellen zijn. Vast staat wel dat de meeste proefpersonen snel gestuurd worden door de verwachtingen van de onderzoeker. De proefpersoon zal aan de verwachtingen proberen te voldoen, of, als de verwachtingen van de onderzoeker hem niet bevallen, extra zijn best doen om het tegendeel te bewijzen.

Om die reden wil psycholoog Agneta Fischer bijvoorbeeld ook niet ingaan op wat voor resultaten ze verwacht. ‘Het is prima als mensen hun best doen en weten waar het onderzoek in het algemeen over gaat. Mensen mogen weten dat het over emotieherkenning gaat. Maar hypotheses over welk deel van de bevolking het beter doet of slechter kunnen we nu nog niet onthullen.' 

'Stel je voor dat we zeggen dat we denken dat ouderen minder sociaal vaardig zijn - straks gaan die daarom beter hun best doen dan andere bevolkingsgroepen.’

De psychologiestudent voorbij
Normaal gesproken kunnen onderzoekers al kort na het afnemen van een test de proefpersoon inlichten over hun hypotheses en werkwijzes. Bij het Groot Nationaal Onderzoek kan dat niet, omdat de kans te groot is dat informatie via de media of anderszins verspreid raakt. Broekens: ‘De debriefing die we normaal in het lab doen, doen we nu dus in de landelijke media in het najaar.’ Een nadeel ten opzichte van de meeste psychologie-experimenten.

Maar voordelen zijn er ook. ‘De bestaande kennis over het menselijk gedrag bestaat grotendeels uit kennis over tweedejaarsstudenten’, zo schreef statisticus en psycholoog McNemar al in 1946. En nog steeds wordt een groot deel van het psychologisch onderzoek alleen op psychologiestudenten verricht.

Maar na een week hebben al bijna achtduizend mensen van allerlei achtergronden de test van het GNO gedaan. Fischer: ‘In veel onderzoeken waar we alleen psychologiestudenten ter beschikking hebben, kunnen we vragen die we hebben over hoe bijvoorbeeld lager opgeleiden reageren niet beantwoorden. Daarom zijn we heel blij dat we nu zoveel reacties krijgen vanuit heel andere bevolkingsgroepen.’