Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu / Focus en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Huizen met zonnepanelen

Elk nieuw gebouw moet vanaf 2020 genoeg energie produceren om het energieverbruik door de bewoners te dekken. Technisch geen probleem, maar de bouwwereld kan wel een duwtje in de rug gebruiken.

Ze heten nulenergiewoningen, energieneutrale woningen, balanswoningen, maar dat is allemaal van hetzelfde laken een pak. Het draait om gebouwen die zo zijn gemaakt, dat de gebruikers op jaarbasis geen energiekosten hebben om er comfortabel te leven. En leven betekent óók televisie kijken, internetten en regelmatig een warme douche nemen.

De toevoeging ‘op jaarbasis’ is essentieel, want eventuele zonnecellen leveren op bewolkte dagen nu eenmaal weinig energie. Op die dagen is zo’n woning dus nog afhankelijk van het centrale elektriciteitsnet. In zonnige perioden stroomt de overtollige energie van het huis echter terug naar het net.

Dat klinkt misschien nog sciencefictionachtig, en in de aflevering van Nederland van Boven over wonen komen zulke huizen niet voor, maar de eerste energieneutrale woning in Nederland (in Woubrugge) dateert al van 1993. Inmiddels telt ons land tientallen van dergelijke gebouwen. Hun daken glanzen meestal van de zonnecellen, ze zijn degelijk geïsoleerd en de verwarming gebeurt vaak met behulp van zonneboilers en warmte-koude-opslag. Hoewel het veelal overheidsgebouwen betreft, groeit momenteel ook het aantal nieuwbouwprojecten voor energieneutrale eengezinswoningen.

CO2-uitstoot omlaag
Dat moet ook wel, want de Europese richtlijn ‘energieprestatie van gebouwen’ schrijft voor dat alle nieuwbouw vanaf 2021 bijna energieneutraal is. ‘Bijna’ wil zeggen dat het beetje energie dat nog nodig is om wat lampen te laten branden, afkomstig is van duurzame energiebronnen ter plaatse. In Nederland moet dit in 2020 een feit zijn.

Het doel van de regeling is de uitstoot van koolstofdioxide drastisch te verminderen. De gebouwde omgeving zorgt namelijk voor 19 procent van de totale koolstofdioxide-uitstoot in Nederland (182 miljoen ton in 2010). Bovendien worden fossiele brandstoffen steeds schaarser.

Als het bijna twintig jaar geleden al mogelijk was, dan moet het bouwen van nulenergiewoningen inmiddels een peulenschil zijn. Inderdaad zijn er legio technieken om het energieverbruik in een woning te minimaliseren. U denkt misschien dat u met dubbele beglazing al een heel eind op weg bent. Maar heeft u ooit overwogen om de warmte van uw douchewater terug te winnen? En weet u dat gebalanceerde ventilatie vijf tot negen keer zo energiezuinig werkt als het openen van uw ramen?

Ziekmakend?
‘Ha,’ roept u nu wellicht, ‘gebalanceerde ventilatie, daar worden we ziek van!’ Elphi Nelissen, hoogleraar Duurzaam bouwen en installatietechniek aan de TU Eindhoven, hoort die reactie wel vaker. ‘Een incident in Vathorst bij Amersfoort heeft die technologie een heel slechte naam bezorgd’, zegt zij. ‘Dat specifieke systeem deugde echter helemaal niet. Mensen die niet goed geïnformeerd zijn, blijven daardoor bang voor de technologie. Voorlichting is dus erg belangrijk om duurzame technologieën toegepast te krijgen.’

Zelf is ze erg tevreden met het ventilatiesysteem. Haar woning is niet aangesloten op het gasnet. Dat is nergens voor nodig, want degelijke isolatie, warmte-koude-opslag en dubbele beglazing houden de binnentemperatuur aangenaam. De ramen zijn aan de binnenkant voorzien van een coating die de warmte ‘s winters binnenhoudt, en een coating aan de buitenkant houdt in de zomer het warme zonlicht tegen. ‘Alleen zonnepanelen hebben we niet, dat durfden we zes jaar geleden nog niet aan. Maar ze komen er zeker nog.’

Kosten
Aan dergelijke maatregelen hangt wel een prijskaartje. De kosten om een woning energieneutraal te maken variëren nogal per situatie, maar vijftien tot dertig procent van de kostprijs lijkt gebruikelijk. Loont dat de moeite wel? ‘Niet als dit binnen tien jaar moet zijn terugverdiend’, zegt Nelissen. ‘Maar wel als dit de hele levensduur van een gebouw mag beslaan. Bovendien raken fossiele brandstoffen op, terwijl groene energie steeds goedkoper wordt.’

De Nederlandse bouwsector is terughoudend. Volgens het overheidsrapport 'Uitzicht op energieneutrale nieuwbouw en duurzame bestaande bouw’ ontbreekt het hier nogal aan samenwerking tussen kennisinstellingen en de bouwindustrie. Daardoor worden nieuwe technologieën onvoldoende doorontwikkeld. Een deel van het probleem is de manier waarop aanbestedingen worden georganiseerd, zegt Nelissen.

Miljoenen door de afvoerput
‘De Europese aanbestedingsregels zijn bedoeld om aanbestedingen transparant en objectief te krijgen, waardoor er zo goedkoop mogelijk wordt gebouwd. Maar het effect is juist tegenovergesteld. Door de moordende concurrentie zijn bouwconsortia niet geneigd tot samenwerking en open innovatie: als ze iets slims ontdekken, willen ze die kennis liever niet delen met anderen. Bedrijven investeren soms miljoenen euro’s tijdens een aanbestedingstraject. Die zien ze rechtstreeks door de afvoerput gaan wanneer de concurrent het project binnensleept. Die miljoenen hadden beter geïnvesteerd kunnen worden in onderzoek en open innovatie.’

Verder schiet de Nederlandse overheid volgens Nelissen tekort wat betreft het stimuleren van nieuwe technologieën. ‘De regering laat zich vooral leiden door de energiebedrijven. Maar die zullen nooit vooroplopen in het toepassen van innovaties, omdat hun bestaande netwerken nog niet afgeschreven zijn. Die willen ze eerst laten renderen.’

Nederland in de voorhoede
Toch zijn de prestaties van Nederland op het gebied van nulenergiebouw niet echt belabberd. Te beoordelen aan een lijst voorbeelden van nulenergiewoningen wereldwijd mag ons land zich, samen met enkele buurlanden, rekenen tot de voorhoede.

Op de genoemde lijst staat ook het Christiaan Huygenscollege in Eindhoven. Het gebouw is uitgerust met zo’n beetje alle reeds genoemde technologieën. Bovendien beschikt het over een “energiedak” met twee zongevoelige lagen. Deze genereren zowel warmte-energie als elektriciteit. Op zonnige dagen produceert het gebouw meer energie dan het nodig heeft, welke het via een lokaal netwerk (smart grid) deelt met een nabijgelegen sporthal en een nog te bouwen woonwijk. Er zijn momenten dat een school koeling nodig heeft, terwijl de sporthal warmte kan gebruiken. Het slim verdelen van de warmte-energie tussen de gebouwen moet zorgen voor een besparing van dertig procent van de energiekosten op jaarbasis, goed voor zo’n 130.000 euro.

Het energiedak is ontwikkeld in samenwerking met de TU Eindhoven en illustreert de toekomstplannen van de universiteit. Als die uitkomen, wonen we binnen veertig jaar allemaal in energie producerende wijken. Voor het zover is, moet er nog wel het een en ander gebeuren, geeft Nelissen toe.

Technologie van de toekomst
‘Er zijn nog grote stappen te maken. Een veelbelovende technologie vormen de Phase Changing Materials, materialen die een faseverandering ondergaan bij een temperatuur rond de twintig graden. Als het overdag warm wordt, gaan ze van vast over in vloeibare staat. Daarbij onttrekken ze warmte aan de omgeving. Koelt het ‘s nachts af, dan worden ze vast en staan ze warmte af. In de toekomst zouden daar hele ruimten mee geplamuurd kunnen worden.’

Ook technieken die zonlicht slim weren hebben volgens Nelissen de toekomst in de balansbouw. Denk aan dynamische glassoorten die zonlicht alleen tegenhouden op momenten dat het te warm wordt.

Oude huizen
In nieuwbouw is de toepassing van allerlei nieuwe technologieën nog relatief eenvoudig. Alleen zullen nieuwe woningen volgens het ECN in 2020 slechts ongeveer 7 procent van het energieverbruik door de gebouwde omgeving voor rekening nemen. Oudere woningen, waar het grootste deel van de Nederlanders in woont, slurpen de rest op (utiliteitsbouw niet meegerekend). Valt er aan die oudere huizen nog iets te verbeteren?

‘Zonnecellen zijn natuurlijk ook op oude daken te installeren,’ zegt Nelissen, ‘Andere maatregelen zijn soms moeilijker toe te passen. Probeer een begane grond maar eens te isoleren als het huis in zand is gestort.’

Ook als de toepassing van, bijvoorbeeld, warmte-koude-opslag mogelijk is, hoeft dat nog niet verstandig te zijn. Bijvoorbeeld omdat dan verwarmingsinstallaties en ketels zouden moeten worden weggegooid. Door de vereiste extra investeringen en materialen zal dat ongunstig uitpakken. Dat kan zelfs het geval zijn als de bestaande systemen aan vervanging toe zijn. ‘Soms moet je overwegen of het niet verstandiger is de hele boel te slopen en opnieuw te beginnen,’ zegt Nelissen. ‘Dat moet je per situatie bekijken.’