Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Geloven in wetenschap
Waarom heeft bijna de helft van de Amerikanen een afkeer van wetenschap? Twee Amerikaanse psychologen vermoeden dat het in de jeugd begint en door geloofwaardig geachte bronnen wordt versterkt.

Als een bal door een gebogen buisje rolt en hij komt eruit, blijft hij dan in dezelfde kromming doorbewegen of niet? Het goede antwoord is natuurlijk: nee, de bal zal de kromming niet doorzetten.

Maar dat was niet het antwoord dat meer dan de helft van de studenten op deze vraag gaf, in een Amerikaans onderzoek uit 1980 van de psycholoog Michael McCloskey. Dat een groot deel van de studenten natuurkundelessen had gevolgd, mocht niet baten. Blijkbaar is het logischer te denken dat een bal de kromming voortzet. Pas als de ondervraagden te zien kregen hoe de bal wél bewoog, stelden ze hun mening snel bij.

Helaas is niet alle wetenschappelijke kennis zo gemakkelijk aan de man te brengen. Neem bijvoorbeeld de evolutietheorie, die is nu eenmaal niet met een simpel proefje aan te tonen. Dat zorgt ervoor dat er, vooral in Amerika, veel mensen liever geloven in zaken die zij logisch achten, dan in wat wetenschappelijk is aangetoond.

Waar komt deze afkeer van wetenschappelijk denken in Amerika toch vandaan, vroegen psychologen Paul Bloom en Deena Skolnick Weisberg van de Yale Universiteit in New Haven (VS) zich af. Hun bevindingen presenteren ze deze week in Science.

Zoals het goede psychologen betaamt keken Bloom en Skolnick Weisberg eerst of de afkeer een oorsprong had in de kindertijd. Door eerder onderzoek wisten ze al dat zelfs heel jonge kinderen een redelijk idee hebben van hoe de wereld in elkaar steekt. Ze weten bijvoorbeeld dat iets valt, als je het loslaat. Maar deze alledaagse kennis van de werkelijkheid staat ze vervolgens ook weer in de weg bij het begrijpen van ingewikkeldere ideeën.

Als iets valt als je het loslaat, hoe kan het dan dat de wereld een bol is, en dat er aan de onderkant ook mensen leven, zonder dat die eraf vallen? Pas vanaf een jaar of acht à negen snappen kinderen hoe het zit met de aarde en de zwaartekracht. Voor die tijd ontkennen ze meestal dat er mensen aan de onderkant leven, of ze stellen zich de wereld voor als een bal met een afgeplatte bovenkant, of als een holle bol waar mensen in leven.

Ook hebben kinderen de neiging om de wereld te zien in termen van ontwerp en doel. Vierjarigen geloven dat alles op aarde een doel heeft, inclusief leeuwen (“naar de dierentuin gaan”) en wolken (“om te regenen”). Deze neiging maakt het voor de kleintjes lastig om het proces van evolutie te accepteren. Het idee dat de wereld geschapen is met een doel en een reden ligt veel dichter bij de belevingswereld.

Het probleem met veel wetenschappelijke kennis is dus dat deze ingaat tegen de intuïtie, denken Bloom en Skolnick Weisberg. Maar dat verklaart nog niet waarom er zo’n grote culturele verschillen zijn in de afkeer van deze kennis. Waarom gelooft 42 procent van volwassen Amerikanen dat mensen en dieren er vanaf het begin van de tijd zo hebben uitgezien als ze er nu uitzien? Een idee dat het bestaan van evolutie ontkent en dat in veel andere landen veel minder aanhang heeft?

Om dit te begrijpen halen Bloom en Skolnick Weisberg twee verschillende manieren aan waarop mensen met informatie omgaan. Sommige informatie is algemeen geaccepteerd binnen een cultuur. Dat is informatie die voor waar wordt aangenomen zonder kritisch te toetsen. Kennis over het bestaan van elektriciteit bijvoorbeeld. Bij dit soort kennis is het niet gebruikelijk om te zeggen dat iemand “gelooft in elektriciteit”.

Andere informatie wordt met meer twijfel tegemoet gezien. Als de informatie van een bepaalde bron afkomstig is bijvoorbeeld. Zo zegt de Bijbel dat de aarde door God werd geschapen, en vertelt menig biologieleraar dat het huidige leven op aarde een gevolg is van evolutie. In deze gevallen zijn mensen eerder geneigd om te zeggen dat ze “geloven in God” of “geloven in de evolutietheorie”.

Dit soort stellingen vaak moeilijk te toetsen op hun (on)juistheid. Daarom laten mensen de geloofwaardigheid van de uitspraken vaak afhangen van het vertrouwen dat ze hebben in de bron. Het is dan niet nodig dat ze de uitspraak helemaal begrijpen, als ze degene die de uitspraak doet maar geloofwaardig achten.

Ook kinderen zijn al gevoelig voor de geloofwaardigheid van een bron. Wat een volwassene zegt geloven ze eerder dan wat een ander kind beweert. Ook hebben ze oog voor de expertise die mensen hebben op een bepaald gebied. Zo zijn ze zich ervan bewust dat een dokter meer van een gebroken arm afweet dan een automonteur.

Maar als ze vervolgens geconfronteerd worden met wetenschappelijke feiten die in tegenspraak zijn met hun intuitie, is dat het begin van hun afkeer van wetenschap. Of deze afkeer doorzet tijdens hun latere leven, hangt volgens Bloom en Skolnick Weisberg af van de mate waarin wetenschappelijke beweringen onder druk staan in een samenleving.

De neiging om wetenschappelijke ideeën ter zijde te schuiven blijft gemakkelijker bestaan als niet-wetenschappelijke alternatieven diep geworteld zijn in het alledaagse geloof van het volk. Als deze onbewezen ideeën dan ook nog eens worden verkondigd door mensen die als geloofwaardig en betrouwbaar worden gezien, zal neiging om zich te verzetten tegen wetenschappelijke ideeën helemaal groot zijn. En dat is precies de situatie zoals die in Amerika is.

Het is volgens Bloom en Skolnick Weisberg dus geen wonder, dat een groot deel van de Amerikanen vindt dat ideeën als de evolutietheorie onzin zijn. Het wordt ze niet alleen met de paplepel ingegoten, ook als volwassenen krijgen ze ze nog steeds als fastfood aangereikt, door voor hen betrouwbare bronnen.

Arianne Hinz

P.Bloom, D. Skolnick Weisberg, ‘Childhood origins of adult resistance to science’, Science, 18 mei 2007