Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu / Focus en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Balonnen

Twee Amerikaanse en een Zweedse bioloog menen het genetische raadsel van de homoseksualiteit eindelijk gekraakt te hebben. Het is niet vastgelegd in het DNA, zeggen ze, maar erop. Eigenlijk heel logisch.

In een vrij land als Nederland voelt ongeveer 8 procent van de mannen en vrouwen zich seksueel aangetrokken tot het zelfde geslacht. Puur wetenschappelijk bekeken is dat raadselachtig. Van een homoseksueel potje vrijen krijg je namelijk geen kinderen. Zou de aanleg ervoor dan niet snel moeten uitsterven? Nee, zo werkt het dus niet.

In theorie is daar wel een mouw aan te passen, als ‘homo-genen’ bijkomende voordelen hebben. Het probleem is alleen, dat zulke genen tot nu toe nauwelijks gevonden zijn. En dat terwijl uit stamboom- en tweelingonderzoek blijkt dat homoseksualiteit wel degelijk een erfelijke component heeft. Wel erfelijk, maar toch niet vastgelegd in het DNA?

Ja, dat kan, schrijven William Rice, Urban Freiberg en Sergey Gavrilets, drie biologen uit Santa Barbara (VS), Uppsala (Zweden) en Knoxville (VS) die al jaren op zoek zijn naar een evolutionaire verklaring voor homoseksualiteit. Ze beargumenteren in The Quarterly Review of Biology dat het ‘m niet in het DNA zelf zit, maar in de manier waarop dat in de cel verpakt is. Hun theorie is ingegeven door de ontwikkelingen in een relatief nieuw vakgebied: de epigenetica.

Epigenetica gaat over de ‘afleesbaarheid’ van DNA. Dat DNA bestaat uit lange slierten waarop al je erfelijke informatie zit, maar die slierten liggen niet zomaar los in de celkern. Er hangen onder meer methylmoleculen aan en ze zitten om eiwitbolletjes gewonden (histonen). Die extraatjes bepalen welke stukken DNA klaar zijn om afgelezen te worden. De rest is buiten gebruik. Die afleesbaarheid heet epigenetische informatie, en wordt deels meegekopieerd als een cel zich deelt.

Aan- en uitschakelen

Epigenetische informatie is cruciaal om bijvoorbeeld het verschil te maken tussen een zenuw- en een spiercel. Die moeten ieder heel andere eiwitten maken, en daarom andere stukken DNA aflezen. En dit razend ingewikkelde systeem van aan- en uitschakelen is ook cruciaal voor de normale ontwikkeling van een bevruchte eicel tot een gezonde baby.

Bij zo’n pas bevruchte eicel is bijna alle epigenetische informatie gewist. Vervolgens wordt het allemaal weer opgebouwd. Maar, en daar zit de crux, niet helemaal alles wordt altijd gewist. Epigenetische informatie blijkt soms erfelijk te kunnen zijn.

Dat kan bijvoorbeeld verklaren hoe het rookgedrag van een zwangere vrouw de kans op astma van haar kleinkind verhoogt. Stoffen in sigarettenrook veranderen de epigenetische informatie, en die beïnvloedt twee generaties later nog hoe het DNA precies wordt afgelezen. Terwijl er dus geen veranderingen in het DNA zelf te vinden zijn.

Bij homo’s en lesbiennes is de epigenetische informatie misschien op zo’n manier veranderd dat ze als foetus net even anders reageren op geslachtshormonen, stellen de drie biologen. Ze dragen allerlei ondersteunend bewijs voor die stelling aan, zoals het feit dat jongens- en meisjesembryo’s al in een heel vroeg stadium epigenetisch verschillen. En de recente ontdekking dat omgevingsfactoren de epigenetische informatie kunnen veranderen die bepaalt of hersenen zich typisch mannelijk of vrouwelijk ontwikkelen. Bij proefdieren blijkt dat ook invloed te hebben op de volgende generatie.

Afwijkingen aan de penis

‘Hoewel we niet het definitieve bewijs kunnen leveren dat homoseksualiteit een sterke epigenetische achtergrond heeft, denken we wel dat het beschikbare bewijs helemaal past bij deze conclusie’, schrijven de drie. Zij zien homoseksualiteit als een fenomeen dat verwant is aan ‘andere eigenschappen die beïnvloed worden door blootstelling aan mannelijke hormonen in de foetus’, zoals cryptorchisme (waarbij de zaadballen niet op de juiste plaats zijn beland) en hypospadie (waarbij de plasbuis uitmondt voordat hij het topje van de penis bereikt).

Zulke eigenschappen zijn onvoordelig voor de voortplanting, maar blijven toch redelijk vaak voorkomen. Waarom? Dat weten de onderzoekers niet. Het lijkt ze het meest waarschijnlijk dat deze evolutionair onvoordelige schakelingen op het DNA juist voordelig zijn als ze in het andere geslacht optreden. Een epigenetische wijziging die ongevoeliger maakt voor mannelijk hormoon, zou bijvoorbeeld bij meisjes de kans verkleinen dat ze te mannelijk uitvallen, maar bij jongetjes de ontwikkeling te veel in vrouwelijke richting sturen.

Het ligt natuurlijk nogal gevoelig, homoseksualiteit vergelijken met aangeboren afwijkingen. Maar ja, álles ligt in deze discussie gevoelig.  Beweren dat epigenetica, die in principe omkeerbaar is, de oorzaak is van homoseksualiteit, is trouwens niet hetzelfde als zeggen dat homoseksualiteit zelf omkeerbaar zou zijn. De invloed van het mechanisme dat deze drie wetenschappers voorstellen, vindt namelijk al in een vroeg stadium voor de geboorte plaats.

Ontdek meer in de special