Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Je eigen vrije wil
Mensen vinden hun eigen gedrag een stuk minder voorspelbaar dan dat van anderen, blijkt uit experimenten, en menen dat ze ook bewuster handelen. Feitelijk schrijven ze zichzelf wél een vrije wil toe, maar anderen nauwelijks, concluderen twee psychologen.

Staat je lot al voor je geboorte vast, of ben je vrij om te doen wat je wilt? De vraag naar de vrije wil leidt al honderden jaren tot felle discussies. Uit onderzoek komt de laatste tijd vaak naar voren dat het bewustzijn niet de sturende kracht is waarvoor we het altijd hebben gehouden. Het sukkelt eigenlijk meer achter de rest van het brein aan, vinden hersenwetenschappers als Victor Lamme dan ook. Hij schreef er een boek over met de niet mis te verstane titel ‘De vrije wil bestaat niet’, waarover ik hem onlangs heb geïnterviewd - zie de video.

Inderdaad hebben experimenten al talloze keren aangetoond dat mensen veel sterker onbewust beïnvloed worden dan ze zelf beseffen. Maar of zo’n vrije wil nu bestaat of niet, feit is wel dat de meeste mensen menen te ervaren dat ze ‘m hebben. In de woorden van Princeton-psychologen Emily Pronin en Matthew Kugler, in PNAS van deze week: ‘We hebben het gevoel dat onze verlangens en bedoelingen voorafgaan aan onze acties, en dat we in het leven op kruispunten komen te staan waarop we oprechte, spannende en vaak beangstigende keuzes maken over de te volgen weg.’

Andere mensen
Tegelijkertijd, voegen ze daaraan toe, kijken we naar de mensen om ons heen en krijgen daarbij het gevoel dat hún beslissingen voornamelijk gestuurd worden door dingen die vastliggen, zoals hun persoonlijkheid, hun opvoeding of hun genen.

Kortom: je zou zeggen dat mensen zichzelf waarschijnlijk een vrijere wil toedichten dan anderen. Irrationeel, maar in zekere zin toch logisch. Pronin en Kugler lieten het niet bij die gedachte. Ze besloten te onderzoeken of deze stelling hout snijdt en deden daarom vier proeven.

Om te beginnen ondervroeg Pronin vijftig studenten over de voorspelbaarheid van hun eigen lotgevallen en die van hun kamergenoot. Hadden ze bijvoorbeeld vooraf kunnen bedenken hoe een relatie zou verlopen? En in hoeverre meenden ze te weten hoe hun beider carrière straks zou verlopen? Uit de antwoorden bleek dat de studenten zichzelf een stuk minder voorspelbaar vonden dan de kamergenoten. Op een schaal van 1 (totaal onvoorspelbaar) tot 7 (volkomen voorspelbaar) gaven ze zichzelf gemiddeld een 3,86 ; de ander kwam op 4,81 uit. Bijna een volle punt hoger dus.

Meer mogelijkheden
Voor proef twee ging de psychologe naar twee restaurants, waar ze de werknemers een lijst toekomstscenario’s voorlegde, bijvoorbeeld plaatsen waar ze over tien jaar zouden kunnen wonen. En wat bleek: voor zichzelf zagen ze meer serieuze mogelijkheden dan voor hun collega’s. Behalve als het ging om de mogelijkheid dat de situatie over tien jaar onveranderd zou zijn: hun eigen kans daarop schatten ze op 20 procent, die voor collega’s op 35 procent.

Misschien komen die resultaten voort uit het feit dat mensen gewoon positiever over zichzelf denken dan over anderen, dachten de onderzoekers. Proef drie, weer met studenten, was bedoeld om te testen of dat de eerdere uitkomsten kon verklaren. Pronin gaf ze steeds twee mogelijkheden, bijvoorbeeld ‘ik heb straks een spannende baan’ en ‘ik heb straks een saaie baan’. Ze mochten er eentje aankruisen of kiezen voor ‘het is allebei mogelijk’. Daarbij bleek dat ze die laatste mogelijkheid een stuk vaker kozen als het over henzelf ging, dan wanneer ze werden ondervraagd over een ander. Ze dachten over hun eigen lot dus als onvoorspelbaarder, niet rooskleuriger.

In de laatste proef vroeg Pronin studenten direct naar het gewicht dat ze toekenden aan de vier dingen die gedrag konden beïnvloeden : de situatie, persoonlijkheid, verlangens/intenties en eerder gedrag. Ze moesten aangeven hoe veel invloed die volgens hen hadden op hun eigen gedrag en op het gedrag van hun kamergenoot. Bij zichzelf bleken ze verlangens en intenties als de belangrijkste invloed te beschouwen, terwijl de kamergenoot volgens hen in de eerste plaats gestuurd werd door zijn persoonlijkheid.

Mensen zijn dus inderdaad geneigd zichzelf meer elementen van een vrije wil toe te kennen dan anderen, concluderen de onderzoekers. Overschatten ze hun eigen vrije wil, of onderschatten ze die van de ander? Daarop geeft dit onderzoek geen antwoord.

Elmar Veerman

Emily Pronin en Matthew B. Kugler: ‘People believe they have more free will than others’, PNAS Early Edition, 15 december 2010