Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
bijen

Wat verklaart de achteruitgang van de wilde bij? Het raadsel houdt wetenschappers al jaren bezig. Onderzoek wees al richting parasieten, ziekten en klimaatverandering. Dat bestrijdingsmiddelen een rol spelen, wordt ook steeds duidelijker. Brits onderzoek koppelt nu het gebruik van neonicotinoïden aan grootschalige achteruitgang van bijenpopulaties.

Neonicotinoïden lijken ideale bestrijdingsmiddelen. Als je er zaden mee behandelt, dan verspreiden de stoffen zich door alle delen van de planten (de wortels, de stelen, de vruchten) die daar uit groeien. Eet een insect van de plant, dan tast het gif het zenuwstelsel aan. Het dier raakt verlamt en sterft. Je hoeft de stoffen maar een keer toe te dienen en ze pakken zowel vliegende als kruipende insecten aan. Bovendien zijn ze ongevaarlijk voor mensen. Neonicotinoïden zijn dan ook bijzonder populair en maken 24 procent van de wereldwijde insecticidemarkt uit. Ook in Nederland worden de insecticiden op grote schaal gebruikt.

Moratorium

Aanvankelijk dacht men dat neonicotinoïden alleen schadelijke insecten aanpakken. Het tegenbewijs hoopt zich echter op. Laboratorium- en veldonderzoek laat zien dat de stoffen via het stuifmeel en nectar ook wilde bestuivers als bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen vergiftigen. In 2013 leidde dit tot een moratorium van twee jaar door de Europese Unie.

Dit jaar wordt het verbod herzien. Om de discussie van een wetenschappelijke onderbouwing te voorzien, bundelde het wetenschappelijk adviesorgaan van de EU (EASAC) in 2015 het bewijs voor de schadelijke gevolgen van neonicotinoïden op de biodiversiteit. De conclusies waren niet mis te verstaan. Toch trokken bestrijdingsmiddelenfabrikanten Bayer en Syngenta het rapport in twijfel (ten onrechte). De studie zou eenzijdig en vooringenomen zijn en de schadelijke gevolgen voor biodiversiteit niet bewijzen.

Koolzaad

Brits onderzoek dat vandaag in Nature Communication verschijnt, onderschrijft eerdere bevindingen en maakt hard dat er wel degelijk wat aan de hand is. Het laat een duidelijk verband zien tussen het gebruik van neonicotinoïden en grootschalige achteruitgang op de lange termijn van wilde bijenpopulaties.

Voor hun onderzoek gebruikten de Britten gegevens over wilde bijen die werden verzameld door de Bees, Ants and Wasps Recording Society. Vrijwilligers van de vereniging brengen bijen, mieren en wespensoorten in kaart. De onderzoekers gebruikten gegevens van 18 jaar rondom de grootschalige introductie van neonicotinoïden in 2002. Ze verdeelden Engeland onder in vakken van een vierkante kilometer en bekeken 62 wilde bijensoorten. Dit legden ze naast gedetailleerde gegevens over de behandeling van de zaden van koolzaad met neonicotinoïden. Koolzaad is in Engeland een veelvoorkomend gewas.

Achteruitgang

Vooral soorten die zich voeden met koolzaad bleken de pineut. De omvang van de populaties gaan na 2002 drie keer zo hard achteruit dan de soorten die koolzaad links laten liggen. Dit weegt niet op tegen het voordeel dat ze hebben van het extra voer dat het koolzaad vormt. Voor vijf bijensoorten leidde de introductie van het gif tot het verdwijnen uit 20 procent van de vakken. Hiermee laten de onderzoekers zien dat neonicotinoïden wel degelijk schade berokkenen aan wilde bijenpopulaties op grote schaal en lange termijn. Ze hopen dat hun onderzoek een extra reden levert op het Europese moratorium te handhaven.

Ben Woodcock et al. Impacts of neonicotinoid use on long-term population changes in wild bees in England. Nature Communications, 16 augustus 2016.