Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Paniek in het lab
Wie een hoop kooldioxide ineens inademt, vertoont verschijnselen van een paniekaanval. Maar mensen met een paniekstoornis slaan van een klein beetje van het gas al op tilt. Omdat deze patiënten een overgevoelige sensor in hun brein hebben, meent de Maastrichtse psychiater Eric Griez.

In het Academisch Angstcentrum in Maastricht staat een comfortabele stoel. Maar de mensen die erin plaatsnemen, gaan zich allesbehalve comfortabel voelen. Die stoel speelt namelijk een belangrijke rol bij onderzoek naar de oorzaak van de zogenaamde paniekstoornis, een fenomeen dat vooral als psychiatrisch probleem wordt gezien.

Hoogleraar psychiatrie Eric Griez doet al heel lang onderzoek bij mensen met paniekaanvallen. De meeste vakgenoten gaan ervan uit dat die voortkomen uit een denkfout. Een paniekpatiënt zou onschuldige lichamelijke signalen, zoals een licht verhoogde hartslag of een wat verdiepte ademhaling, verkeerd interpreteren en daarvan bang worden. Daardoor verergeren de symptomen, met totale paniek als eindresultaat. Griez denkt dat het heel anders in elkaar zit.

Hij ziet een sleutelrol voor kooldioxide, een gas dat ieder levend wezen produceert. Het ontstaat in het lichaam uit de reactie van voedingsstoffen met zuurstof, en lost dan op in het bloed. In de longen ruilt het bloed de kooldioxide in voor vers zuurstof. Opgelost CO2 maakt het bloed een beetje zuur. Het ademhalingscentrum in de hersenstam kan die verzuring voelen, en geeft zonodig een seintje dat er dieper en sneller geademd moet worden.

Griez: “De lucht die we hier inademen, bevat minder dan 1 procent kooldioxide. Het mengsel dat wij aan mensen in deze stoel toedienen, bevat 35 procent kooldioxide, dus ruim 35 keer meer.” Dat je van één teug van dit mengsel al gaat hyperventileren, is dus geen wonder. Maar bij patiënten met een paniekstoornis is er nog een effect, merkte Griez al ruim twintig jaar geleden.

Die patiënten ervaren ook nog een plotseling gevoel van angst. Doodsangst zelfs. Samen met die enorm versterkte ademhaling geeft dat precies dezelfde ervaring als een spontane paniekaanval, zeggen zulke patiënten. Aan de Columbia Universiteit in New York ontdekte psychiater Donald Klein ongeveer tegelijkertijd hetzelfde.

Griez: “De eerste reactie van onze collega's was: so what? Deze patiënten krijg je heel gemakkelijk aan het schrikken, met een paniekaanval tot gevolg. Dus wat is hier nu zo bijzonder aan? Toch, als dat alles was, zou je verwachten dat ook mensen met andere typen angststoornissen, zoals pleinvrees of chronische angst, in paniek zouden raken van zo'n stoot kooldioxide. Want die krijg je net zo gemakkelijk op de kast. Maar dat was niet zo.”

Donald Klein bedacht een interessante verklaring, vertelt Griez. “Hij zei: de paniekreactie is een direct gevolg van de overgevoeligheid voor kooldioxide. Er zou bij de mens een zogenaamde verstikkingsdetector zijn, die nauw overlapt met het ademhalingsscentrum in onze hersenstam, maar die ook een emotioneel facet heeft. Die verstikkingsdetector komt in actie als het bloed te zuur wordt, door de kooldioxide, en veroorzaakt een gevoel van doodsangst. Bij paniekpatiënten is die detector overgevoelig, daardoor zouden die al doodsangst voelen als het bloed een beetje verzuurt.”

Klein’s hypothese werd interessant gevonden, maar is twintig jaar later nog steeds niet algemeen geaccepteerd. Nu stapelen de bewijzen zich echter op. Met name door werk van Griez en zijn groep. Voor een recent onderzoek ademden 64 vrijwilligers luchtmengsels in waarin 0, 9, 17.5 of 35 procent kooldioxide zat. Hoe meer kooldioxide iemand binnenkreeg, hoe dichter zijn gemoedstoestand bij paniek kwam te liggen.

“Wij redeneerden: als een paniekstoornis inderdaad het gevolg is van overgevoeligheid van een structuur die iedereen heeft, dan moet paniek ook op te wekken zijn bij gezonde proefpersonen”, zegt Griez. Iemand echt laten stikken kan natuurlijk niet, maar: “Bij een oplopende dosis kooldioxide zou je steeds dichter bij het gevoel van paniek moeten komen. En dat is precies wat we vonden.” Die resultaten zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PLoS One.

Vanuit evolutionair perspectief is dat ook logisch, betoogt de psychiater. Als je dreigt te verdrinken, moet je daar niet uitgebreid over nadenken, maar direct handelen. Het ligt dus voor de hand dat alle dieren, inclusief de mens, daar een mechanisme voor hebben in hun brein. En er is meer.

De vatbaarheid voor paniekaanvallen is aangeboren, blijkt steeds meer, en die overlapt steevast met de overgevoeligheid voor CO2. De groep van Griez is met een genetische studie bezig. Hij heeft één of meer ‘paniekgenen’ in het vizier, maar wil daar verder nog niets over zeggen. Eerst publiceren, zo werkt het in de wetenschap.

Als paniekaanvallen inderdaad voortkomen uit een overgevoelige ‘verstikkingsdetector’, betekent dat dan dat praten de patiënten niet vooruithelpt? Nee, reageert Griez, praten helpt altijd. Want we hebben niet alleen een hersenstam, met daarin dat verstikkingscentrum, maar ook hogere hersendelen. “En die kunnen nog altijd zeggen: ik voel nu wel paniek, maar ik weet dat daar geen reden toe is. Dus ik geef er niet aan toe.”

En inderdaad. Als ik zelf in de stoel plaatsneem en twee flinke teugen lucht neem, met 35 procent kooldioxide, weet ik dat me weinig kan overkomen. Dankzij die gedachte laat ik me niet in paniek brengen door de ademnood die ik voel, de duizeligheid en het acute, lastige te beschrijven gevoel van narigheid dat me overvalt. Stel je voor dat dit gevoel je overvalt als je op de bus staat te wachten, zegt geneeskundestudente Jalet van Rozendaal, die de proef begeleidt. “Dat is dus wat paniekpatiënten voelen.”

Eric Griez e.a.: ‘Carbon Dioxide Inhalation Induces Dose-Dependent and Age-Related Negative Affectivity’. PloS ONE, 3 oktober 2007