Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Brein-man-vrouw

Nieuwe geneesmiddelen worden standaard getest op mannen, terwijl ze op vrouwen soms andere effecten hebben. Dat heeft soms ernstige gevolgen. En dan is er ook nog de etnische kwestie.

‘Ben jij een blanke man tussen de 18 en 55 jaar en wil je graag wat bijverdienen? Ons onderzoekscentrum zoekt proefpersonen om een nieuw medicijn tegen menopauzeklachten op te testen.’ Wacht even.. wat? Zouden zulke medicijnen niet beter op oudere vrouwen getest kunnen worden? En waarom testen ze alleen op blanken?

Bovenstaand voorbeeld is misschien wel erg absurd, maar biomedisch onderzoek wordt vaak uitgevoerd met blanke, volwassen, mannelijke proefpersonen. Dat is op zich niet zo gek; vrouwen hebben een hormooncyclus die onderzoeksgegevens kan beïnvloeden, ouderen en kinderen zijn kwetsbaarder en in het westen zijn nu eenmaal veel blanke mensen. Een uniforme groep maakt het verzamelen van statistische gegevens veel makkelijker en dat is bevorderlijk voor het snel op de markt brengen van nieuwe medicijnen. Zo kunnen mensen dus sneller en beter geholpen worden.  Het is daarom ook best begrijpelijk dat de voorkeur bij medicijnonderzoek uitgaat naar een homogene groep proefpersonen.

Maar het kan ook onwenselijke gevolgen hebben. Sommige medicijnen hebben op mannen namelijk een heel andere uitwerking dan op vrouwen. Zo tonen diermodellen voor depressie in het vrouwelijke brein veel minder activiteit dan normaal, terwijl de activiteit in het mannelijk brein juist ongeveer verdubbelt. Maar ‘vrijwel ieder medicijn tegen depressie is uitsluitend ontwikkeld en getest op mannetjesratten en blanke mannen’ vertelt neurobioloog Gert ter Horst in de uitzending van Labyrint over dit onderwerp. Op basis van deze kennis over het mannelijke brein zijn antidepressiva ontwikkeld die het brein minder actief maken, maar dat heeft dus een averechts effect in het vrouwelijke brein!

Ook een andere etnische afkomst kan invloed hebben op de werking van een medicijn. Zo stelt een rapport in het tijdschrift voor farmacotherapie MFM dat geneesmiddelen vaak een andere werking hebben bij patiënten van niet-Westerse afkomst. Dit heeft te maken met een andere stofwisseling. Stofwisseling speelt ook een rol bij de werking van medicijnen bij kinderen. Het Nederlands Kenniscentrum Farmacotherapie bij Kinderen (NKFK) inventariseert de verschillen tussen kinderen en volwassen voor wat betreft medicijngebruik. Het kenniscentrum geeft bij diverse punten aan dat de gevolgen nog onvoldoende onderzocht zijn.

Een pil die goed werkt voor een jonge, blanke man, kan dus verkeerd uitpakken voor bijvoorbeeld een oudere vrouw van Afrikaanse afkomst. Moet de biomedische wetenschap dan niet testen op representatieve groepen proefpersonen zodat medicatie voor iedereen goed werkt? Dat zou de testprocedures voor nieuwe medicijnen wel ingewikkelder en duurder maken. En als in veel gevallen geen problemen ontstaan, maak je daarmee het testtraject dan niet onnodig tijd- en geldrovend?

Het lijkt een kwestie van de juiste afweging maken. Want ondanks dat het in sommige gevallen negatieve consequenties kan hebben, heeft het testen op een uniforme groep ook veel voordelen. Het zal per studie verschillen wat optimaal is. Je zou verwachten dat medische onderzoekers een goede afweging hebben gemaakt wanneer ze gaan testen met een groep blanke, volwassen mannen.

Maar is de keuze voor een homogene groep proefpersonen ook daadwerkelijk een bewuste keuze, of eerder een gewoonte of het gevolg van tradities? Vroeger waren er in Nederland immers veel minder inwoners met een andere etnische afkomst. De meeste vrouwen zaten thuis en de wetenschap was vooral een mannelijk bedrijf. Ook waren wetenschappers zich lange tijd niet zo bewust van essentiële verschillen tussen volwassenen en kinderen; kinderen werden als een soort minimensjes beschouwd.

Het is dus belangrijk dat als onderzoekers ervoor kiezen hun medicatieonderzoek uit te voeren met een groep blanke, jongvolwassen mannen, ze zich bewust zijn van de ‘bril’ die ze ophebben. Ze moeten op hun hoede zijn wanneer ze testen op vrouwen, kinderen, bejaarden of andere etniciteiten. Wanneer er aanwijzingen zijn dat er fysiologische verschillen bestaan die een effect kunnen hebben op de werking van medicatie bij verschillende patiënten, moet er een alarmbelletje gaan rinkelen; de verschillen in werking moeten worden onderzocht. Helaas zijn de hieraan verbonden risico’s nog onvoldoende in kaart gebracht. Bewustzijn van het blank, mannelijk en volwassen referentiekader is daarom belangrijk. In die zin is er dus zeker ruimte voor verbetering binnen de biomedische wetenschap.