Nieuwsbrief

Blijf wekelijks op de hoogte van het beste uit De Kennis van Nu en het laatste nieuws!

MELD JE AAN
Slim kinderbrein verandert sneller
Kinderen die er qua intelligentie uitspringen, hebben als zevenjarige een dunnere hersenschors dan leeftijdgenootjes. Op elfjarige leeftijd is dit denkorgaan juist iets dikker, en enkele jaren na de puberteit zijn de dikteverschillen verdwenen. Intelligentie zit ‘m dus niet in de hoeveelheid hersencellen, maar in hun kwaliteit, denken de ontdekkers van dit fenomeen.

Denken doe je met je hersenschors, dus het ligt voor de hand om te veronderstellen dat een dikkere hersenschors samengaat met een hoger IQ. Op MRI-scans van een grote groep kinderen tussen de zeven en zestien jaar oud blijkt echter maar weinig van zo’n samenhang, schrijven Amerikaanse neurowetenschappers onder leiding van Jay Giedd in Nature van deze week. Zo moet je ook niet kijken, stellen zij. De hersenschors van kinderen is namelijk nog in ontwikkeling. En die ontwikkeling houdt wél verband met het IQ. Als je genoeg scans van leeftijdgenootjes naast elkaar legt, blijkt er toch een duidelijk verband te zijn tussen intelligentie en schorsdikte. De hersenschors van zevenjarige slimmeriken is extra dun, neemt tot de twaalfde verjaardag in dikte toe en krimpt vervolgens weer. Bij kinderen met een gemiddelde intelligentie is de schorsdikte al na zeven levensjaren op het hoogtepunt. De onderzoekers concluderen dit uit de gegevens van 307 kinderen. Die maakten IQ-tests en gingen vervolgens de MRI-scanner in. Een computer berekende uit de plaatjes hoe dik hun hersenschors was op verschillende plaatsen in het brein. Een dikte tussen de vier en vijf millimeter is normaal. Op basis van de IQ-tests verdeelden de hersenonderzoekers de kinderen in drie groepen. Groep één had met zijn score tussen 83 en 108 een gemiddelde intelligentie. Groep twee, met 109 tot 120 punten, kreeg h et stempel ‘hoge intelligentie’. Groep drie bestond uit echte slimmeriken, die een score tussen 121 en 149 behaalden. Kinderen met een echt laag IQ deden dus blijkbaar niet mee aan dit onderzoek. De verschillen tussen de drie groepen waren vooral goed zichtbaar in de hersengebieden die complexe redeneertaken uitvoeren. Maar dus alleen als je kinderen van dezelfde leeftijd met elkaar vergelijkt. Wat verklaart nu de variaties in de hersenschors? “De aard van de onderliggende cellulaire veranderingen is grotendeels onbekend”, schrijven Giedd en zijn collega’s. Waarschijnlijk heeft het iets te maken met het maken van nieuwe verbindingen tussen zenuwcellen en het opruimen van ongebruikte verbindingen. Nog niet zo lang geleden werd gedacht dat dit proces op een leeftijd van zes of zeven jaar wel was afgerond, maar sinds de opkomst van de hersenscans is langzaam duidelijk geworden dat er nadien nog veel verandert in het brein. Jay Giedd komt overigens ook aan het woord in het aprilnummer van Natuurwetenschap & Techniek. Hij zegt daar dat het onuitstaanbare gedrag van pubers te wijten is aan de reorganisatie die gaande is in hun hersenschors. Ze kunnen er dus niets aan doen, meent hij. De Nederlandse onderzoekers Henriette Delemarre en Hilleke Hulshoff Pol zijn dat niet met hem eens. Hulfhoff Pol: “Je kunt echt niet zomaar zeggen dat pubergedrag te wijten is aan een onderontwikkelde frontaalkwab. Laat staan dat je er op die gronden een moreel oordeel over kunt vellen.”

Elmar Veerman

P. Shaw, D. Greenstein, J. Lerch, L. Clasen, R. Lenroot, N. Gogtay, A. Evans, J. Rapoport en J. Giedd: “Intellectual ability and cortical development in children and adolescents”, Nature, 30 maart 2006